Vandaag is precies drie maanden nadat de meningitis-bacterie plotseling mijn hersenschors en longen had aangevallen. Van 8 tot 15 september hielden de artsen mij in de kunstmatige coma op de intensive care. D. en mijn zoons speelden in die tijd mijn favoriete muziek en vertelden verhalen, allemaal in de hoop dat ik in werkelijkheid zachtjes zou “landen”.

En dat is gelukt! Na zeven dagen werd ik wakker, maar volledig uitgeput, zonder kracht en energie en met ongelooflijk sterke hallucinaties! Later bleek dat het bij dergelijke aanvallen vrij vaak voorkwam.

Gelukkig zijn die vervelende hallucinaties snel voorbij geweest en ik naar het Klimmendaal Revalidatiecentrum in Arnhem werd overgebracht.

 

Gisteren gaven mij de artsen mij voor het eerst een weekend vrij, ik mocht naar huis,  om te genieten van lekker eten, voetbal op tv (forza, Vitesse!) en het beste gezelschap van mijn dierbaren…

 

En omdat ik een soortgelijke moeilijke ‘pad’ na de amputatie van mijn rechterbeen, iets meer dan drie jaar geleden, bewandeld heb, hieronder een paar fragmenten uit mijn revalidatiedagboek “Nog drie weken tot de hemel” (Sarajevo, 2019).

Het is alleen dat k nu maar één week aan de laatste rand ben geweest. Maar als de kat met zeven levens …

 

***

 

Toen de artsen mij vertelden dat mijn been er af zal moeten gaan, had ik nooit vermoeden dat ik er een dagboek over zou kunnen bijhouden. Natuurlijk, want ik had veel grotere zorgen. Pas later, toen ik in het ziekenhuis hierop werd voorbereid, zoals een kennis onlangs zei: een poging, werd ik hiertoe overgehaald door Ćaza, een man met een onweerstaanbare glimlach en een onverbeterlijk enthousiasme. ‘Je moet het doen,’ zei hij tegen me, ‘voor jezelf, maar ook voor alle anderen die in soortgelijke shit terecht kunnen komen.’

En hier is het. Het bleek dat het bijhouden van een dagboek in dergelijke omstandigheden dubbel zo nuttig is. Doordat je als schrijver met de tekst bezig bent, en je ook met esthetiek te maken hebt en je niet nadenkt over de onzin die door je hoofd gaat, raak je alle frustraties en angsten kwijt die in dergelijke situaties vanzelfsprekend zijn. Ik heb de bodem van het leven geraakt, zoals ik op één plek zei in de tekst die volgt. Immers, een gelijkaardige “therapie” trok me eruit in het begin van de jaren negentig, toen ik tijdens de oorlog bijna twee jaar in mijn stadje Konjic, Bosnië en Herzegovina, doorbracht, dat aan de buitenkant omringd werd en van binnen door de verschillende bendes kapot gevreten werd. Ik beschreef deze ervaringen van de “brave burger G.S.” eerder in het boek “Jij krijgt mooi, warm vuur van de klassiekers van het marxisme”.

En toen ik op het punt stond dit ziekenhuis te verlaten en met het schrijven van het dagboek wilde stoppen, zei een oude vriend tegen mij: “Ben je gek? De echte uitdaging is pas begonnen! ”

De man had gelijk. Opstaan, vallen, vallen en opstaan, vreugde en wanhoop, aanmoediging en verwennerij …

Strijd. Een integraal onderdeel van het leven.

Vanwege al het bovenstaande is het duidelijk dat ik dit boek alleen aan hen twee opdraag: Ćaza en professor Žuti.

Dank aan de eerste lezers van dit dispersieve dagboek (poëzie, proza, fragmenten van de andere auteurs…) voor hun opmerkingen en suggesties: Maja, Žana, Goga, Elmir en Čarli.

 

 

***

 

 

Alleen gezonde mensen zijn bang van de dood

 

Griet Op de Beeck

 

 

***

 

 

Na gesprekken met internisten concluderen we dat amputatie van het onderbeen de enige oplossing is. Een diep gegraveerde afbeelding van een jonge dokter met weelderig, zwart haar blijft over. Zijn krullen flikkeren voor zijn zwarte ogen. Hij kijkt me direct, indringend en tegelijkertijd op een of andere manier sympathiek aan. Trillen zijn vingers als hij streng uit zijn ogen haalt? Schaamt hij zich zelfs een beetje? Daarna vreet ik muffins, ook al weet ik dat ze mijn buikpijn zullen bezorgen. Mij vrouw maakt foto’s van mij en stuurt een video naar vrienden: “Wij vieren de beenamputatie!”

Er is altijd een reden voor feest,,,

 

 

 

***

 

 

Morgen is de operatie. Ik ben de hele dag slaperig. Ze verschonen mijn beddengoed, wassen me, zorgen voor me en aaien me. Zij doen hun best. Veel telefoontjes, soms een beetje vermoeiend, maar ik zeur niet. Ik liet, zo te zien, een kruimel brood achter.

Er is geen angst. Als de beslissing is genomen, is alles – wat mijn opa Savo soms wist te zeggen – veel en veel gemakkelijker.

 

 

***

 

Uit de anesthesie komen is als uit diep, modderig water kruipen. Blij dat je leeft, heel graag zou je aan de verpleegsters een seintje willen geven, op hun verre stemmen reageren, maar het gaat echt niet. Je bent nog steeds op de bodem van de put, pas opgelucht als je je realiseert dat ze het flikkeren van je wimpers hebben opgemerkt. En dan val je weer in slaap, nog dieper dan onder narcose. Terug naar een zalige, kunstmatige droom.

 

 

 

 

***

 

Op tafel ligt het boek van Ewoud Kieft: “Mein Kampf, een verboden boek en de aantrekkelijke kracht van het nazisme.” Je leest ongeveer honderd bladzijden daarvan en dan houdt het op. Want al lezend kan je niet anders dan de indruk krijgen dat de wereld echt gek was en is gebleven. Voordat je naar bed gaat, zweven er allerlei vragen en zwarte gedachten door jouw hoofd.

Midden in de nacht brengt jonge verpleegster Eveline me tot bedaren, die me helpt om in bed te komen – niet eens een stap verwijderd! – Ik poep hier in een ronde metalen ding genaamd “po”.

Iedereen heeft zijn eigen strijd.

 

 

***

 

 

Kaars

 

Vader, en alle drie de ooms,

ze gingen in een oogwenk weg

naar het hiernamaals.

Twee op het toilet,

een bezig met verven van een hek,

rustte voor de eeuwigheid op de stoep.

En mijn vader op een bruiloft –

– in het midden van de zang!

 

Ik ben al wat ouder als mijn vader toen,

bijna dertig jaar terug,

Maar ik heb, hopelijk,

nog even de tijd.

 

Mijn vertrek,

als het komt,

het ziet eruit als een smeulende kaars.

Ik weet dus niet of ik me moet verheugen,

een valse winnaar

in die vreemde strijd met hem,

of ja,

knarsetandend vannacht,

moet wachten tot de genade klap.

 

 

 

Goran Sarić (Fragmenten uit het boek “Drie weken tot de hemel”)